Zeven op de tien ouders trekken één kind voor: wat dat met een kind doet
Uit cijfers blijkt dat zeven op de tien ouders een voorkeurskind hebben. Die voorkeur kan al in de babytijd ontstaan en laat sporen na in het hele gezin.

Een meerderheid van de ouders maakt in de praktijk een verschil tussen hun kinderen. Zeven van de tien ouders geven aan dat ze één kind voortrekken boven een ander. Dat blijkt uit cijfers die deze week opnieuw onder de aandacht werden gebracht. De voorkeur is niet altijd bewust en ontstaat soms al wanneer de kinderen nog baby's zijn.
Dat betekent niet dat ouders hun andere kinderen minder graag zien. Wel heeft de situatie gevolgen: voor het kind dat zich achtergesteld voelt, voor de broers en zussen onderling en voor de sfeer in het gezin als geheel. De vraag hoe je daarmee omgaat, als kind of als ouder, is dan ook allesbehalve theoretisch.
Een voorkeur die al vroeg zichtbaar wordt
Het opvallende aan de cijfers is het moment waarop de ongelijkheid kan beginnen. Ouders ontwikkelen soms al in de babytijd een sterker gevoel van verbondenheid met het ene kind dan met het andere. Dat heeft niet noodzakelijk te maken met karakter of gedrag van het kind; ook temperament, slaapgedrag of de eigen geschiedenis van de ouder kan meespelen.
Voor de buitenwereld blijft die voorkeur vaak onzichtbaar. Binnen het gezin wordt ze daarentegen snel gevoeld. Kinderen merken op wie meer aandacht, geduld of ruimte valt, ook wanneer daar geen woorden aan te pas komen. Een extra verhaaltje, een mildere reactie bij een fout of net meer verwachtingen bij het ene kind: het zijn kleine signalen die samen een patroon vormen.
Belangrijk is dat de cijfers geen oordeel vellen over individuele ouders. Ze wijzen wel op een breed maatschappelijk gegeven: de ideale gelijke behandeling van kinderen is in de praktijk moeilijk vol te houden, en dat beseffen veel ouders zelf ook.
Wat het doet met het kind dat zich achtergesteld voelt
Kinderen die zich minder geliefd voelen dan een broer of zus, dragen dat vaak lang met zich mee. Ze kunnen gaan twijfelen aan hun eigen waarde en de overtuiging ontwikkelen dat ze harder moeten werken voor aandacht en bevestiging. Soms uit zich dat in extra inzet, soms net in terugtrekken of spanning zoeken.
Ook de verhouding met de broer of zus die wordt voorgetrokken, komt onder druk te staan. Die laatste heeft daar zelf vaak geen schuld aan, maar wordt toch geconfronteerd met jaloezie of verwijten. Het kan leiden tot een rivaliteit die de kinderjaren overstijgt en ook op volwassen leeftijd doorwerkt in het contact binnen de familie.
De impact reikt dus verder dan één kind: de voorkeur raakt het hele gezin, ook de ouder die ze zelf niet bewust koos.
Wat je als kind of ouder mee kunt nemen
Wie als kind het gevoel heeft gekregen er minder bij te horen, kan daar op latere leeftijd mee aan de slag. Het bespreekbaar maken van die ervaring, binnen of buiten het gezin, is vaak een eerste stap. Inzicht in het eigen patroon helpt om de boodschap van vroeger niet automatisch door te geven aan volgende generaties.
Voor ouders ligt de uitdaging elders: erkennen dat een voorkeur bestaat, zonder zich daar schuldig over te voelen, en bewust kijken waar de balans zoekt. Aandacht verdelen is geen kwestie van exact evenveel geven, maar van merken wanneer één kind structureel minder ruimte krijgt. Openheid daarover binnen het gezin doorbreekt al een deel van de stilte rond het thema.
De cijfers maken duidelijk dat bijna geen enkel gezin er volledig aan ontsnapt. Dat relativeert, maar het maakt het gesprek erover niet minder de moeite waard.




